Pagina met informatie over een bepaalde publicatie over de Nederlandse schilder Jan Mankes

Auteur Mankes-Zernike A
Jaar 1943
Titel De teekeningen van Jan Mankes.
Tijdschrift Maandblad voor Beeldende Kunsten  juni/juli 193-199

DE TEEKENINGEN VAN JAN MANKES
DOOR A. MANKES ZERNIKE
Het was een goede gedachte van den kunsthandelaar Van Zanten te Rotterdam, om van de teekeningen en het grafisch werk van Jan Mankes een afzonderlijke tentoonstelling te maken. Mankes' zwart en witkunst toch verdraagt het en is het waard ook zonder zijn schilderijen te worden getoond.
Zijn trouwens zijn schilderijen zelf niet voor een groot deel teekenachtig gezien? Want het is hem daarin niet alleen evenzeer om den vorm als om de kleur, maar speciaal ook om de lijn te doen. Het is b.v. niet toevallig, dat hij bijna altijd zijn modellen en profil schilderde, waardoor hij de teekenachtige lijn, die van het voorhoofd doorloopt naar den neus en vandaar terugwijkt naar de kin, scherp kon markeeren. Ook zijn zelfportretten zijn maar heel zelden en face gegeven, bijna altijd trois quart, z dat de hoekige jukbeenlijn kon worden geaccentueerd. Boomen en heggen zijn op zijn schilderijen ook steeds afzonderlijk "geteekend", zouden wij onwillekeurig willen zeggen. Nooit zijn ze vooral als kleurvakken gegeven, maar altijd in hun zeer persoonlijke, strakke of grillige lijnen. Zou hij Jan Mankes ze ook daarom niet bij voorkeur hebben geschilderd in den winter en in het prille voorjaar, nooit in den vollen zomer, als hun vormen schuil gaan onder hun bladertooi?
Hiermee in overeenstemming is, dat hij zijn onderwerp meestal eerst met een strakke lijn op het doek teekende, voordat hij het begon te schilderen. Van zijn meeste grootere schilderijen, en van al zijn grafisch werk, heeft hij van te voren schetsen geteekend. Soms kreeg hij dan, al doende, in de teekening zoo'n behagen, dat hij haar min of meer voltooide, en ten bewijze, dat hij haar een zelfstandige waarde toekende, signeerde.
Het met krijt geteekende portret van zijn vader, zittende voor het open raam met uitzicht op een meer, is daar een voorbeeld van. Het Schilderij, met de pastelachtige kleuren, moge lieflijker zijn, om den geteekenden man is de stilte haast nog grooter. Een voorbeeld hoe hij ook aan een studie soms een zelfstandige waarde gaf, is de geteekende kop van Douwe; de bonten muts en het bombazijnen lijf, die op de schilderijen zoo donker fluweelachtig doen, zijn hier blank gehouden, wat iets priesterlijks geeft aan het, zware, gegroefde gelaat.
Het zelfportret, dat hierbij ook gereproduceerd wordt, behoort weer tot een andere categorie. Dat is n.l. een voorstudie, noch een schets, maar een uit die reeks teekeningen in siberische houtskool, die van den opzet af hun doel in zich zelf hadden. Verschillende portretten heeft hij met dit materiaal geteekend, ook een paar groote, monumentale teekeningen ermee gemaakt, van de koemelkster en de geit. Hierin is hij meer de schilder dan de teekenaar, in zoover het hem hier bovenal ging niet om de lijn, maar om de tegenstelling van zwart en wit. Daarom werkte hij zoo graag met siberische houtskool, om het prachtige diepe en toch niet glimmende zwart, dat hij ermee kon verkrijgen en speet het hem zoo, dat dit materiaal later niet meer voorhanden was. Dat van de grafische technieken de houtsnijkunst hem het liefst was, zal mede zijn oorzaak hebben gevonden in het diepe zwart van de vlakken, die hij kon afdrukken van het onbewerkt gelaten gedeelte van het blokje, waarbinnen de lijn scherp gegudst stond, of die kantig afstaken tegen den uitgesneden witten achtergrond, zooals in de ineengedoken zieke kraai.