Pagina met informatie over een bepaalde publicatie over de Nederlandse schilder Jan Mankes

Auteur Havelaar J
Jaar 1927
Titel Mankes' Graphische Arbeid.

MANKES' graphische arbeid vormt niet een bijkomstig deel zijner kunst, maar was voor hem een essentieele uiting. Toch is hij als spelenderwijs daarmede aangevangen. In September 1910 schrijft hij aan den trouwen en toegewijden Pauwels, dat hij „heel graag" zou etsen, zij 't dan voorloopig meer als „ontspanning". Maar 't geen hij, in dezen brief, daar dan op volgen laat, toont dadelijk aan, hoe Mankes ook zijn „ontspannings werk" in ernst nam. Er bestaat, schrijft hij, voor hem een overwegende reden met dit werk nog te wachten. Hij bezit n.l. geen ets pers en hij wil zijn platen zelf drukken, want hij wil „heel véél uit de tinten verkrijgen" en een ander zou de plaat toch nooit drukken „volgens zijn eigen opvatting". Een maand later is de mangel zijner moeder tot ets pers bevorderd en ontstaat de eerste proeve, die hem niet voldoet en dus des te sterker tot voortgaan prikkelt.
Het kan ons niet verwonderen, dat Mankes een sterke neiging voelde tot graphisch werk, dat hij de lijn als uitdrukkingsmiddel begeerde. Een droomer noemt men hem. Men prijst het vage, nevelige, oversluierde van zijn schilderwerk. Een droomer was hij zeker, als bijna elk kunstenaar; maar er bestaan vele soorten droomers . . . Allen, die sterk naar binnen leven, alle geconcentreerden, moeten droomers schijnen in de wereld der bezigen, wier leven zich verliest in een eindeloos doen. En vooral in onze moderne wereld moeten deze verinnerlijkte naturen wel gansch ontijdige droomers schijnen. Maar groot blijft het verschil tusschen het droomen van een Redon en dat van een Mankes, het droomen van den kunstenaar, die zijn innerlijke wereld visioenair beeldt in vormen, welke aan de natuur ontleend zijn, èn het droomen van den kunstenaar, die zijn oogen klaar gericht houdt op de wereld buiten hem om daarop deze levens beelden te verinwendigen. Wie de brieven en dagboek bladen van een Redon stelt naast de geschreven uitingen van Mankes, zal onmiddellijk getroffen worden door de exactheid en directheid van Mankes' geest. Een „realist", in den meer positivistischen of materialistischen zin van 't woord, was Mankes allerminst, maar toch, de concreete dingen hadden zijn onverdeelde belangstelling en de uiterlijke wereld der verschijningen bestond voor hem in haar vollen rijkdom. Als weinigen van onzen tijd heeft Mankes de wereld buiten hem met overgave, met zelf negatie lief gehad, al was 't dan zijne wereld, die hij lief had: die der stille natuur, der vertrouwde voorwerpen uit zijn naaste omgeving, der vogels en dieren, der enkele, eenvoudige, hem zeer bekende menschen. Mankes zou nooit een kunstenaar van zoo uitstralende liefde zijn geworden, indien hij een egocentrisch droomer ware geweest. Zijn blik heeft het vragendonderzoekende, het nauwlettend kijkende van hen, die pogen den kerker van hun ik te doorbreken. Maar deze wijd open oogen, die ons uit zijn tallooze zelf portretten onderzoekend, fascineerend aan kijken, drukken tegelijkertijd de peinzende stilte uit van hen, die de gewoonte hebben zich rekenschap te geven van 't geen in hun binnen wereld geschiedt.
Mankes is de mensch der klare gedachten en der eenvoudige gevoelens: een evenwichtige geest, verlicht door die liefde, die naar orde en wijsheid streeft.