Pagina met informatie over een bepaalde publicatie over de Nederlandse schilder Jan Mankes

Auteur Mankes-Zernike A
Jaar 1923
Titel Jan Mankes 15 augustus 1889-23 april 1920.

JAN MANKES werd geboren in Meppel, 15 Augustus 1889, waar zijn vader BEINT MANKES, een Fries, commies was bij de belastingen. Zijn moeder, JENTJE HARTSUICKER, was uit Meppel afkomstig.
Jan, hun jongste kind - zij hadden nog een twee jaar ouderen zoon en een drie jaar oudere dochter heette naar zijn grootvader van vaders zijde, die een houthandel had in de Knijpe, een dorp in Friesland, en bijen hield. Van hem heeft Jan zijn talent", zei vader soms, met een oolijken lach, want grootvader had 'n vaste hand om de letters en cijfers op de bijenkorven te schilderen. Maar 't was in ernst als Jan zei: Ik heb mijn talent van moeder, zij heeft zooveel pozie in zich".
Hij had onbegrijpelijk levendige herinneringen aan zijn prille jeugd, nog van vr den tijd dat hij, nog heel jong, naar de bewaarschool ging; maar als moeder sprak over het teekenen en kleuren, dat hij als klein jongetje, dat nog op 'n stoof bij de tafel moest staan, al deed, wist hij daar niets meer van.
Van zijn lagere schooljaren vertelde hij weinig; des te meer van de weilanden om het stadje, waar hij met zijn kornuiten over de greppels sprong en eieren zocht en waar zijn vader hem, op lange wandelingen, de vogels leerde kennen. Toen hij 10 jaar was, kregen zijn ouders een erfenisje, waarvan de jongens "leeren" moesten. Jan werd naar 'n Fransche avondcursus gestuurd en op zijn 13de jaar naar de H.B.S.
Hij heeft eigenlijk nooit goed begrepen, wat ze op die H.B.S. van hem wilden. De eigenaardigheden der leeraren, die hij fel kon karakteriseeren, nam hij z intens in zich op, dat hij nauwelijks aandacht over had voor wat ze hem onderwezen. Zelfs voor teekenen kreeg hij eerst onvoldoende, totdat hij inzag, dat 't niet iets volkomen anders was dan wat hij thuis deed en 't hem ook op school geen moeite meer kostte. Alle andere vakken zijn altijd onwezenlijk voor hem geblven.
Thuis teekende en schilderde hij de platen na, die hij voor de ramen van den boekwinkel zag en droomde ervan een museum met echte schilderijen te zien. Misschien zou hij er wel gratis in mogen, als hij er zelf een schilderijtje voor meebracht .....
Op school ging het niet. Toen zijn vader tegen het einde van zijn tweede jaar in de laagste klasse, een aanstelling kreeg naar Delft, wilde hij liefst maar dadelijk van de school af en trok nog 'n paar weken als jongste maatje met 'n schildersbaas door het stadje.
In Delft kwam hij eerst bij een drogist terecht, later weer bij een schildersbaas, die hem 's avonds teekenles gaf. Met 'n paar groote wapenteekeningen, daar gemaakt, meldde hij zich als jongen van 15 jaar op de glasschilderfabriek van Schouten waar hij aangenomen werd.
Daar begon het nieuwe leven voor hem open te gaan. Veel werd er natuurlijk niet van hem verlangd: eerst verf wrijven, langzamerhand wat eenvoudige randmotieven op glas schilderen, maar hij stond bij de schilders, hoorde hun gesprekken over kunst, over politiek en religie. Hij zag veel moois: de heer Schouten was bezig met zijn tegelverzameling, er hingen Perzische tapijten, fraaie reproducties, een ets van Rembrandt. Hij vond er 'n makker, met wien hij 's zomers, na fabriekstijd, naar buiten trok om te schilderen, wiens vaste hand van teekenen hij destijds zr bewonderde en met wien hij op Zondagen liep naar den Haag, naar 't Mauritshuis. Daar genoot hij veel, 't meest van Vermeer. Voor hem is zijn liefde trouwens altijd groeiende gebleven. Rembrandt beteekende in dien tijd zoo goed als niets voor hem. Het was veel later, toen wij samen in Amsterdam voor het "Joodsche Bruidje" zaten, dat de extase' over hem kwam, die hem altijd aangreep tegenover een schilderij van Vermeer.'